20 juni 2019 | Schiphol-Rijk

Hoofdlijnen pensioenakkoord op een rij

Werkgevers- en werknemersorganisaties hebben met het kabinet na bijna 10 jaar een principe pensioenakkoord gesloten. Wat de consequenties zijn
voor de grafimediapensioenregeling bij PGB is op dit moment nog niet te zeggen. Wel zet KVGO pensioenspecialist Maarten Jansen de hoofdlijnen op een rij.

Het nieuwe pensioen akkoord valt in twee delen uiteen:

– Het eigenlijke SER-advies dat gaat over de toekomst van het stelsel van aanvullende pensioenen
– Een aantal “begeleidende” maatregelen, zoals de ontwikkeling van de AOW, duurzame inzetbaarheid, ZZP-pensioen.

Maarten Jansen: ‘Het advies over de aanvullende pensioenen is een raamwerk dat nog veel uitwerking vraagt. De verwachting is dat de hiervoor benodigde wetgeving op zijn vroegst in 2021 tot stand zal komen. Implementatie zal dan daarna volgen.’

Betekent dit dat er op korte termijn niets verandert?
Nee, de volgende stappen zijn:

• Dit jaar nog voor het zomerreces zal de AOW-wetgeving worden aangepast. Een wetsvoorstel ligt nu bij de Tweede Kamer.
De AOW-leeftijd stijgt minder snel dan nu in de wet staat. In 2020 en 2021 blijft deze, net als in 2019 op 66 jaar en 4 maanden. Vervolgens gaat de AOW-leeftijd in stappen naar 67 jaar in 2024. Vanaf 2025 stijgt de AOW mee met de levensverwachting, maar minder snel dan nu het geval is. Voor elk jaar stijging van de levensverwachting stijgt de AOW-ingangsleeftijd dan met 8 maanden. Nu staat er nog in de wet dat er een 1 op 1-koppeling is: dus elk jaar stijging levensverwachting betekent een jaar later AOW-ingang.

• Waarschijnlijk vanaf 1 januari 2021 krijgen werkgevers en werknemers op vrijwillige basis een beperkte mogelijkheid om afspraken te maken om vervroegd uit te treden. Nu vallen dit soort afspraken onder een fiscale strafheffing (de zogenaamde RVU-heffing). Onder de nieuwe regels wordt het mogelijk om een bedrag van 19.000 euro per jaar vrij te stellen van deze heffing (maximaal 3 jaar).

• Er komt een wettelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. Uitgangspunt is dat sociale partners dit met zelfstandigenorganisaties gaan uitwerken, wat moet leiden tot een voorstel dat betaalbaar en voor iedereen toegankelijk is. De bedoeling is dat er medio 2020 meer duidelijkheid is

Wat gaat er gebeuren met de aanvullende pensioenen?
De SER gaat uit van twee soorten pensioencontracten (pensioenregelingen) die sociale partners kunnen afspreken:

Bij de eerste variant spreken cao-partijen een premiehoogte af. Deze premie wordt direct na storting bij het pensioenfonds omgezet in een (voorwaardelijke) pensioenaanspraak. Meevallers en tegenvallers worden binnen de collectiviteit van het fonds met elkaar gedeeld. De omzetting moet plaatsvinden op basis van een (voorgeschreven) prudente rekenrente.

Premieafspraak
Bij de tweede variant is er ook een premieafspraak. De beschikbare premie wordt toegevoegd aan een persoonlijke pensioenpot, die belegd wordt op een wijze die past bij de risicohouding van de deelnemer. Vanaf 10 jaar voor de pensioendatum wordt de persoonlijke pensioenpot in tranches overgedragen naar het collectieve vermogen en worden er pensioenaanspraken ingekocht. Deze spreiding in 10 jaar is om te voorkomen dat je hele pensioenvermogen in een keer op een gunstig of juist ongunstig moment wordt ingekocht.

Doorsneepremie verdwijnt
Volgens Jansen is het nog onduidelijk of het huidige middelloonstelsel kan blijven bestaan. ‘Wat wel duidelijk is, is dat de doorsneepremie gaat verdwijnen. Met deze systematiek betalen alle leeftijdscategorieën dezelfde premie voor elke euro pensioenopbouw. In feite subsidiëren jongere werknemers hiermee oudere werknemers, omdat de pensioeneuro’s van jongeren langer renderen. Dit systeem werkt goed, zolang werkenden hun hele werkzame leven in hetzelfde (of een vergelijkbaar) pensioenfonds blijven (jongeren worden vanzelf oud), maar wordt nu niet meer passend gevonden.
Afschaffing van de doorsneepremiemethodiek brengt wel een fors overgangsvraagstuk met zich mee: oudere werknemers (vanaf 40/45 ongeveer) gaan nu het voordeel van deze methodiek missen, terwijl ze wel jarenlang nettobetaler zijn geweest.’

Hoe het definitieve plaatje eruit gaat zien is nog onduidelijk. Verder is op dit moment nog niet te zeggen wat de consequenties zijn voor de grafimediapensioenregeling bij PGB